Hoe ontwerp je zoönomisch?

De Kleverbergh gezond

Relaties, dat is waar het om draait als we meer in contact willen komen met de natuurlijke wereld. Een aantal maanden lang volgden Drift en Het Nieuwe Instituut ons op de Kleverbergh om te leren hoe wij meer zoönomisch willen handelen. Hoe maken we keuzes in samenhang met de levende wereld om ons heen? En dan vooral in het ontwerpproces. Op woensdag 16 september werkten we aan 4 thema’s verder met hun bevindingen. En op alle thema’s bleek; relaties zijn het sleutelwoord in deze verandering. 

Zo is er de relatie met de plek; wat leeft er al, welke stromen zijn er (wind, water, materialen) zijn er en wat is achtergelaten door eerdere bewoners? Bouw daar op verder, in plaats van te beginnen met een leeg vel.

Zoonomisch ontwerpen vraagt ook veel van de ontwerper. Waar nu de wensen van de nieuwe menselijke bewoners centraal staan, wil je dan ontwerpen voor heden (waarop er al vele soorten bewoners zijn) en toekomst (waarin je nieuwe relaties en nieuw leven wil huisvesten). 

Ook ontstond er een mooi gesprek over de relatie met het gebouwde; mag een woning vervallen, terwijl je er in woont? Onhoudsarm lijkt de norm tegenwoordig, maar als je inzet op materialen die lokaal en hergroeibaar zijn, dan hoort verval – zonder onnatuurlijke reststoffen – er bij. En bestendigt dat niet ook de relatie met je woning en je plek? Vooral de aanwezige wooncooperaties – Torteltuin en Woonwolk – gaf dit een nieuw perspectief op hun eigen ontwikkelingen. 

Dit gaf ook direct input op de relatie met geld. Als een woning vervalt, wat betekent dat voor de waarde. En als niet iedereen het onderhoud aan kan, kan dan iedereen er wel in wonen? Of is een gemeenschap een noodzakelijke voorwaarde – of logisch gevolg – van zoonomisch ontwikkelen. En is het aangaan van een lening wel organisch? Zouden we niet moeten ontwikkelen op een natuurlijker tempo? 

De belangrijkste relatie, en de moeilijkste, is die met jezelf. Want zonder dat je zelf verandert, kun je niet zoonomisch ontwikkelen. En juist daar gaven veel deelnemers aan in zichzelf veel verandering te ervaren. Er wordt makkelijker en vanzelfsprekender gebruik gemaakt van kennis van ‘de levende wereld’ nu we een tijd meer zooperatief proberen te handelen. In opvoeding wordt vaker gerefereerd aan voorbeelden uit ‘de natuur’. Voor gezondheidsproblemen wordt meer vertrouwd op ‘buiten’ en ook in werk wordt meer inspiratie gehaald uit voorbeelden uit het ecosysteem.